Verhaal waarin de sfeer van het verleden en van het heden u zullen doen aanvoelen dat een verblijf in deze meer dan 200-jarige woning zeker de moeite waard is. Vooral als u met een grotere groep ( tot 31 personen ) een (lang)- weekend, van welverdiende rust en gezelligheid, wilt genieten.             

Hotel Furnau 1793-1914          Auberge de Felenne 1974

Meer dan twee eeuwen traditie onder hetzelfde dak.

 Dag beste lezer.

Jullie hebben ze ook, zie ik, de symptomen. Jullie balen ook van het lawaai in de stad en de drukte in de straten, en van de jacht op het werk. Jullie zijn nog  van die romantische zielen die snakken naar de stilte van de bossen en het kabbelen van helder water. Luister dan naar dit  verhaal. Het verhaal van een weekend met onze groep in de Ardennen, meerbepaald in de ruime vakantiewoning “Auberge de Felenne” hier in het typische ardense dorpje Felenne . We gaan er samen op zoek naar wat we lang verloren zijn: de band tussen mens en natuur. Dit geschiedenisverhaal laat je gedurende jullie weekendverblijf genieten van een  kijk op het dorpje Felenne, vroeger en nu !  Zijn bossen en omgeving en vooral van die twee eeuwen traditie, onder hetzelfde dak, in de hedendaagse vakantiewoning “Auberge de Felenne” ditalles in een prachtig en waarachtig geschiedenisverhaal verweven.

Achter Beauraing, het bekende Maria-oord, ligt Winenne, hoog op de heuvelkam. Eens Winenne uit, duiken we de bossen in. En als we er weer uitkomen, ligt het daar plots voor ons, Felenne. Bij de ingang van het dorp staat een kleine kapel in natuursteen, relict uit het Maria-jaar 1956, toen de processies op hun laatste benen liepen en bij alle dorpskapellen gebeden werd voor de Hongaarse opstand. En verderop het sobere oorlogsmonument uit 1919.

En dan, op een tuft groen en geflankeerd door twee wilde kastanjebomen, de St.Jozefskapel uit 1875. Waarom die kapel en waarom St.-Jozef, weet ik niet. In alle geval, de deur is op slot. Dan maar naar binnen gluren. Drie witte beelden: Christus, Jozef met Jezuskind en Maria. Ze zijn het visitekaartje van een van de hoofdrolspelers in dit verhaal: de superkatholieke burgemeester Joseph Balleux. In 1904 is hij nog maar tweeëndertig als hij voor de eerste keer burgemeester wordt van het antiklerikale nest Felenne. En onmiddellijk doet hij zijn patroonheilige eer aan. Hij bestelt de drie beelden voor de kapel bij een atelier in Parijs. Ze arriveren met de trein in Givet en Balleux gaat ze daar persoonlijk ophalen in het station. Met paard en kar, tien kilometer ver, en vanaf de Franse grens nog vijfenveertig bochten bergop naar het dorp Felenne.

Op oude foto's zie je nog het ronde abreuvoir, een van de drie drinkplaatsen voor het vee die het dorp rijk was. Daar drenkten de dorpsherders 's morgens en 's avonds het koeien-, schapen en geitenbestand van het dorp, op weg naar de gemeentebossen. In oktober mochten ook de varkens mee, naar de eikenbossen op eikeljacht. En de paarden? Die vertrokken 's avonds, na hun dagtaak, en mochten blijven tot de volgende morgen. Geen slechte job trouwens, die van herder. Betaalt in natura en iedere avond gratis de benen onder tafel ergens in het dorp. Samen met de hoofdonderwijzer, als het kon, want dan kwam de beste kost op tafel.

Hier op het plein, de Bâti des Sinces, werd na de lange winter Ie grand Feu aangestoken. Het vreugdevuur van de lente. 's Zondagsnamiddags haalde de dorpsjeugd hout en stro op aan de huizen, en 's avonds zong en danste het hele dorp in de vuurgloed. In de verte laaiden ook de vuren op van de naburige dorpen. Goed kijken was de boodschap, want wie zeven vuren tegelijk zag, was de rest van het jaar immuun voor toverkollen. En joeg je je vee achteraf door de as, dan bleef het gespaard van ziektes

In de volksmond heet het gehucht nog altijd Choumak. Naar een of andere Vlaamse schoenmaker die hier ooit neerstreek. En achter de huizen van de bäti borrelt nog altijd de bron van Choumak. Bekend, want ook in tijden van de grootste droogte, bleef ze lopen. Bekend ook bij de misdienaars die op paaszaterdag het wijwater ronddroegen. Als hun gewijd water op was, schepten ze ongewijd water uit de bron, de schelmen. Dat bespaarde hun een trip naar de kerk en terug.

Voor mij ligt de Rue des Sinces (nu rue de France). Since is Waals voor boerderij. Hier, in die lange rechte straat, werd 's zondags het jeu de la balle gespeeld, tussen de mesthopen en de opgekantelde boerenkarren. De ploeg van Felenne was geducht, maar nog meer geducht was hun sterspeler de pastoor, gevreesd voor zijn moordende opslag. Na de oorlog van '14 -'18 ging het spel ter ziele. En ter ziele gingen ook de mesthopen, maar dat zou nog een tijdje duren. De laatste werd opgedoekt in het jaar onzes Heren 1995.

Place Communale. Hier stond het tweede abreuvoir van Felenne. En hier staat ook de statige vakantiewoning Auberge de Felenne. Een bonk van een gebouw, oer-Ardens, marque déposée. Voordien was het eigendom van het notoire Felense geslacht Furnaux, de tweede hoofdrolspeler in dit verhaal. Maar dit is niet de oorspronkelijke familieoptrek. Die brandde af in 1914. En dat ook dat een huis was om u tegen te zeggen, zie je op de foto, met abreuvoir voor de deur, en 'Hotel Furnaux' erboven.

Fotos van het abreuvoir op het dorpsplein.

Eens binnen voelt men die hartelijke ardense sfeer van een gastvrije woning. Al rond de eeuwwisseling  stond het voormalige hotel bekend als verblijf voor schoolkolonies op bosklas. En er logeerden ook veel toeristen uit het Brusselse. Marie Tanse haalde ze af met haar boerenkar in Givet aan het station, zoals Balleux zijn beelden.

Ardense sfeer in een gezellige vakantiewoning.


Iedereen kende Marie-Fance. Ze woonde bij de kerk en was jongedochter. Ze kon liegen en smokkelen als een ekster. En haar klanten versierde ze in Givet door zich voor te doen als weduwe met zes kinderen, en ze knipoogde naar alle douaniers.


We laden de koffers en de  meegebrachte spijzen en dranken uit de wagens. Alles wordt  keurig geschikt  in de ruime keuken en bar om straks optimaal van onze eerste maaltijd te genieten. We betrekken onze kamers en verkennen de sanitaire ruimtes, alsook de nooduitgangen ! Enkelen van onze groep hebben zichzelf al een lekker drankje geserveerd. Het is gezellig in de leefruimte van de Auberge de Felenne, het lijkt of we al volledig vertrouwd zijn met ons weekendhuis. We komen volledig tot rust , genieten van de opgezette vogels, geweien, schilderijen en aquarellen, prenten en oude affiches aan de muur.

Dan met z’n allen aan de tafel om te genieten van het lekkere eten . Er is vast meer tijd om rustig aan tafel te blijven en ieder heeft wel wat te vertellen. Enkele nieuwgierigen van onze groep vragen zich wel af hoe het vroeger in dat oude “Hotel Furnau”  eraan toeging en wie die “Furnau’s “wel waren.  Van de eigenaar kwamen we daarstraks, bij onze aankomst, meer te weten van  de clan Furnaux. "Rijk en de dorpspolitiek in het bloed", vertelde hij. Tussen 1819 en 1932 leverden ze het dorp liefst zes blauwe burgemeesters. Het oude Hotel was van het eind van de achttiende eeuw (1793 meerbepaald) . Jan met de pet moest het toen stellen met een lemen stulp, maar de Furnaux’s zetten een stenen mastodont neer, en schilderden de gevels opzichtig roze. Moeder Furnaux was vroedvrouw, misschien had dat er iets mee te maken.

De telgen Henri Joseph, Jules en Alfred ontpoppen zich tot gewiekste neringdoenden, en het huis krijgt veel weg van een shopping centre. Naast hotel en verbruikzaal nog een toneelzaal, een muziekzaal, een opslagplaats, paarden- en koestallen en een grote schuur, en last but not least een all-in kruidenierszaak. In de winkel is letterlijk alles te krijgen. Stoffen, bezems en schoenen; keukengerief; hamers, tangen, spijkers en schroeven; koffie, suiker en zwarte zeep; muizenvallen, vliegenvangers en springtouwen ....

Op de houten toonbank glimt de geelkoperen balans en overal de doordringende dampen uit het grote petroleumvat in de hoek. En buiten, naast de deur, de kleurige blikken reclameplaten: Chicorei Pacha, Savon de Marseille en La Milanaise, speciaal tegen de luizen.




De eigenaar die ons daarstraks bij onze aankomst hartelijk verwelkomde en alle formaliteiten aangaande de verhuring van het verblijf met ons regelde, was trots te vertellen dat hij met enkele trouwe medewerkers in dit gebouw gedurende 31 jaar een Auberge uitbaate ( van 1976 tot 2007 ) vele duizenden gasten deden de Auberge aan in al die jaren. Het bewijs dat Felenne reeds vele decenia een gegeerd vakantieoord was valt te merken aan een vergeeld nummer van de Guide du Touriste uit 1928. "Oude wijn behoeft geen krans" . Men kan er onder andere in lezen: HOUDT U VAN COMPLETE RUST; WIL U UW ZENUWEN ONTSPANNEN; WIL U DE ZUIVERE, GEZONDE, DUNNE LUCHT VAN DE HOOGTE INADEMEN, VER VAN DE STEDEN, HET LAWAAI EN DE ROOK? BRENG DAN UW VAKANTIE, UW WEEK-END, DOOR IN FELENNE.

De rest van de avond brengen we nog gezellig samen door….sommigen door te kaarten, televisie te kijken, tafeltennis, mini-voetbal…………of gewoon gezellig wat praten en plannen maken voor de volgende dag.

Acht uur. Gewekt door hanengekraai en het zalige geloei van echte koeien, en dronken van de landelijke geuren door het open raam. Beneden is er al wel wat geroezemoes, de vroege vogels hebben koffie gezet en voor een lekker ontbijt gezorgd .  Dan naar buiten voor een ochtendwandeling. Languit ligt de zon over de Ardennen. Zwaluwen scheren aan en af. Hun nesten puilen uit van de opengesperde bekken. De straat is aan de drentelende honden en zelfs het kleinste kind zegt vriendelijk" bonjour".

De place Communale, nu zonder abreuvoir. Vroeger, met abreuvoir, het hart van het dorp. En op de laatste zondag van september, ook de nieren. Want dan was het Felenne-kermis.



Maar er was niet altijd plezier te beleven op het dorpsplein. Ieder jaar, bij het krieken van een mooie zomermorgen, trommelde de dorpstamboer hier de dienstplichtigen bijeen. Op het geroffel van de trom trokken ze door het Bois du Roi naar Winenne, waar de plaatselijke lichting aansloot, en dan ging het met hangende pootjes naar Beauraing, voor de loting. Wie 1800 frank had, kon zich vrijkopen. Maar wie had die? Wie geen 1800 frank had en pech, moest voor drie of vier jaar naar het leger. En wie geen 1800 frank had en geluk, zoop zich de rest van de dag stomdronken. En thuis gaf de familie een groot feest, want de kostwinner bleef. Laatste opvoering: 1909. Op zijn sterfbed maakt Leopold I1 er komaf mee.


We lopen rond het gebouw op het plein. Het staat leeg. Hier stond van 1856 tot 1907 de nieuwe school van Felenne. Eén klas voor de jongens, één voor de meisjes en de onderwijzer die woonde boven. Ze was hypermodern voor haar tijd met pupitters, zwarte borden en een tree voor de meester. Maar wc’s en pissijnen waren ze vergeten. De oude school lag bij de kerk, l'école du cimétière. Ze was in 1826 gesticht door Jean François Furnaux, de eerste burgemeester uit de rij. Daar zaten vijftig kinderen in een primitief lokaal van acht bij vijf, op houtblokken. En daar waren uiteraard ook geen wc's en pissijnen.

Liberalen en katholieken leefden lange tijd in peis en vree in Felenne. Maar dan kwam de schoolstrijd. De meisjes waren juist verhuisd naar hun splinternieuwe school bij de kerk, toen de ongelukswet van 1879 het hele dorp tegen elkaar in het harnas joeg. En onder het motto "ZE ZULLEN ZE NIET HEBBEN, DE SCHONE ZIEL VAN 'T KIND" haalden de katholieken hun kinderen weg van de jongensschool en stuurden ze naar de privé-scholen die de pastoor bij de mensen thuis organiseerde. In 1908, toen de zaken al een tijdje bekoeld waren, kregen de jongens ook hun splinternieuwe school, achteraan in de rue Gilbert Godefroid.

Een van de best uitgeruste scholen in de wijde omgeving. Maar het huis voor de meester, dat was het nec plus ultra. Daar gaan we dadelijk naar kijken. En het oude schoolgebouw? Dat werd gemeentehuis. En wie daar allemaal achter zat? Juist. Joseph Balleux, de burgemeester.

 

Een dorpsbewoner die te verpozen zit in zijn deuropening begint met een een gezellig praatje.  En nu is het wel het moment om hem wat uitleg te vragen over die mooie pomp met dito waterbak vol bloemen. "Die heeft daar altijd gestaan", verteld de man vriendelijk,  "Eerst alleen, dan voor de jongensschool, en dan voor het gemeentehuis.

Er stonden veel van die pompen in Felenne, grote en kleine. De mensen haalden toen hun water op straat. Het kwam van het grand bassin, op het hoogste punt van het dorp, 355 meter." En we krijgen van die praatgraage dorpsbewoner les in een stukje watergeschiedenis van Felenne. "In 1880 monteerden ze beneden bij de Houille een reusachtig schoepenrad in een loods bij de Moulin de Felenne.

Dat pompte het water 175 meter op naar het groot reservoir. En vandaar werd het verdeeld over de drie abreuvoirs, de publieke pompen en een paar huizen van betergestelden." Pas in 1935 zal Joseph Balleux - weer hij – alle huizen met kraantjeswater bedenken. Het archeologisch curiosum bij de Houille wordt gedemonteerd en meegegeven met het oud ijzer. Goede punten voor Balleux dus. Maar in 1928 had het blauwe kamp ook gescoord: elektrisch licht in alle huizen. Zoals je ziet, in Felenne begon de twintigste eeuw een ferm stuk in de twintigste eeuw. ’t Is ook de uithoek van het land, nietwaar. Maar anderzijds, bij de pompen en de abreuvoirs zagen de mensen mekaar nog, en 's avonds, in het schijnsel van de stinkende petroleumlampen, kropen ze dicht bijeen om straffe verhalen te vertellen.


We lopen langs de rue Gilbert Godefroid ;  wat voor een personnage was dat ? vroegen we ons wel af !  "Ardennezen vergeten niet licht, vertelde ons die man vanin zijn deuropening daarstraks, en zeker niet wat met de oorlog te maken heeft, en de sales boches." Godefroid is een van de vier oorlogsdoden van '40 - '45. Ze hebben alle vier een straat gekregen in Felenne. Hij sneuvelde al in mei, in Fauvillers in Frankrijk. Hierdoor wordt onze nieuwschiergheid geprikkeld en besluiten zeker tijdens ons weekend het plaatselijk kerkhof te bezoeken en te  speuren naar de graven van die  vier helden, we zetten onze dorpswandeling voort tot we, op de kerktoren het Angelus horen kleppen

 

Rond de Middag was de afspraak om gezamenlijk een maaltijd te bereiden, lichtere kost natuurlijk maar wel met de nodige drankjes. Enkele fervente wandelaars in onze groep hadden op de site van de vakantiewoning “Auberge de Felenne “verscheidene wandelingen uitgeprint. Keuze genoeg om een lange of korte,moeilijke of makkelijker parcour te kiezen. Met enkele getrainde wandelaars die onze groep rijk is kiezen we er de wandeling “ Landrichamps-Fond St.-Remacle uit. We  vertrekken langs de ruelle du Curé, een smal paadje dat langs de oude pastorie loopt. Achter het ovenhuis blijven we staan. Op deze plek gebeurde in de jaren ‘50 van vorige eeuw een drama dat alle dorpen in rep en roer zette tot in Dinant: de moord op baron de My.

 

De baron was uit de streek van Luik en had het tot kolonel geschopt in de keizerlijke garde van Napoleon. Hij had alle grote veldslagen meegevochten en de rampcampagne in Rusland overleefd. Na Waterloo kwam hij zich, god weet waarom, verstoppen in Felenne. En hij was rijk. Maar al zijn bezittingen lagen in Frankrijk, aan de overkant van de Houille: uitgestrekte bossen en een herenhoeve met watermolen in Malavisé, vlakbij de grenspost.

De godganse dag rijdt hij rond te paard, door de bossen, op jacht naar wild en gewillige vrouwen. Maar op een avond krijgt onze meidenzieke baron de rekening gepresenteerd. Een jaloerse minnaar wacht hem op en splijt hem de schedel met een hakmes en zo'n slag dat zijn hersens in de meidoornhaag hangen. Opschudding in heel de streek, tot ver in Frankrijk, maar de schuldige wordt nooit gevonden. In Felenne is de Franse grens niet ver.

 

Langs een wildbegroeid pad duiken we de vallei in. Langs hier dreven de varkenssmokkelaars 's nachts hun biggen naar Landrichamps, maar eerst plakten ze hun tegen het kelen een vijg tegen het gehemelte. De mannen holden hun wandelstokken uit en staken ze vol peper, en de vrouwen propten hun boezems vol tabak en hun rokken vol speelkaarten. En daarna kwamen ze terug met stopen Franse jenever en parfum.


En zo komen we  bij de Moulin de Landrichamps. 'Watermolens en de Houille, een oud en perfect huwelijk. Geheim: het groot verval van de rivier. Van vijfhonderd meter hoog op de Croix-Scaille naar honderd meter in Givet. Op die dertig kilometer lagen niet minder dan tien watermolens. Een stuk stroomopwaarts ligt de Moulin de Felenne, die tijdens de Tweede Wereldoorlog nog op volle toeren draaide, in het zwart. Want de Kommandantur in Winenne eiste alle graan op. En twee kilometer stroomafwaarts ligt de Moulin de Malavisé. Baron de My, weet je nog. En nog een paar honderd meterverder stroomafwaarts ligt de Moulin d'Olenne, vlak op de grens met Frankrijk.

 

In 1974 kocht de Brusselse gemeente St.-Pieters-Woluwe in een verlicht moment de molen en de boerderij van Olenne op. Ze wilden er een vakantiecentrum van maken voor jongeren en ouden van dagen uit het Brusselse. Prijskaartje: 200.000 €.


 

Niet slecht gezien, want al van in de jaren '20 bestonden er snode plannen voor een stuwdam, die de vallei van de Houille onder water moest zetten van Landrichamps tot Vencimont. En dat zou niet alleen veel elektriciteit maar ook veel toeristen opleveren, want er waren ook plannen voor een groot natuurpark. Maar dat joeg de natuurverenigingen in het geweer, en de plannen verhuisden naar de diepvries. In de vallei van de Houille liggen, volgens de geleerde heren botanisten, floragebieden die uniek zijn in de Ardennen. Twee daarvan zowaar op het grondgebied van Felenne. Later verkochten de Brusselaars molen en hoeve door aan een particulier.

Maar nu verder, langs de Houille, naar de Grenéveu. Hier, langs de andere kant van het water, lag de Batterie de Landrichamps, een van de vele koperslagerijen in de streek van Dinant. Felenne was bekend voor zijn bekwame koperslagers. Maar de sukkelaars verdienden niets. Ze werden stokdoof van het helse lawaai, kregen zonder uitzondering zwavel- en koperlongen en stierven ver voor hun tijd. En dan krijgt het landelijke dorpje een lelijke uppercut. In 1880 gaat in Flohimont een 'moderne' koperfabriek open, en die werkt op stoom.



Ze betaalt ook goed: 2,5 frank per dag in plaats van 40 centiemen. De houthakkers verlaten massaal hun voorvaderlijke bossen voor de fabriek. Van overal komen ze, uren te voet. En overal schieten de cafés uit de grond, want ze hebben geld. En als het uitbetaling geweest is, drinken ze al hun geld op, en krijgen thuis slaag van hun vrouw.

Ondertussen hebben ook de socialisten voet aan de grond gekregen in Felenne. Vanuit Charleroi komen 'mannen van 't stad', die het goed kunnen zeggen, het werkvolk opjutten. En in 1905 is het zover. Parijs stuurt ijzeren directeur Mauclet om orde op zaken te stellen in Flohimont. Hautain stapt hij rond in zijn fabriek, zwarte pantalon, zwarte redingote, zwarte buishoed. De duivel. En dan breekt de hel los: wilde stakingen, meetings in de bossen, bereden gendarmes, stakingspiketten bij de Pont d'Olenne. Mauclet staat een onderhoud toe van twee minuten. Zijn enige woorden: "Doe meer overuren en drink minder."

Het conflict sleept aan. De tijd speelt in Mauclet zijn voordeel. Thuis bij de mensen raakt het geld op, de honger slaat toe. De ene winkel na de andere weigert krediet, en tenslotte zelfs de Socialistische Coöperatief Een spontane manifestatie op het dorpsplein in Felenne ontaardt in een hongermars 'naar Flohimont. Met vrouwen en kinderen, en de rode vaan voorop. De Internationale wordt gebruld en er wordt gescandeerd: "BROOD! BROOD! BROOD!" Maar de haag bereden gendarmes voor de fabriek is te dik. Het gepeupel druipt af en ze verdrinken hun onmacht in de jenever. En tenslotte drijft de honger de laatste werkman terug naar de fabriek.


We zijn nu in het Bois d'Egneaux. Hier stond, weet ik, de hut van Zante en Pauline. Een ontroerende love story. We schrijven 1890. Sergeant Alexandre Carlier, van goeie Parijse komaf en gekazerneerd in Givet, wordt smoor op Pauline van Willerzie. Cultuur versus natuur. Hij kent Latijn en Grieks, zij is ongeletterd. Maar Zante kiest voor de natuur.

Hij deserteert en Pauline laat man en kind achter in het Franse Hargnies. Ze trekken een primitieve hut op bij de Houille, maken drie kinderen en leven van stropen en forelvissen. Pauline leurt met de contrabande in de dorpen en bedelt. En zo gaat het leven verder. Zante leert zelf zijn kinderen lezen en schrijven en wordt een expert-forelvisser. Na de oorlog van '14 - '18 worden ze zowaar een toeristische attractie. De Brusselaars van Marie Franse - en er komen er meer en meer naar Hotel Furnaux - gaan er allemaal naar kijken. In 1930 vertrekken Zante en Pauline naar Willerzie om er samen te gaan sterven in de zigeunerkolonie Les Eaux. Exeunt Romeo en Juliette van Felenne.


We klauteren naar het dorp terug langs het steile pad van de Fond St.-Remacle. Hier is het bos een sprookjesbos. We gaan zitten op een vermolmde boomstam. De wereld bestaat niet meer. Alleen het kabbelen van water en af en toe het schuifelen van èen vogel. Mens en bos hebben hun eeuwenoude verbond opgezegd filosoferen we. Maar in onze verbeelding begint het bos weer te leven.

 

In de Echelle glijden houtsleders de helling naar de Houille weer af op hun essenhouten sleden. De helling is te steil voor paarden, en straks moeten ze, met hun lege slee, te voet terug naar boven.





In de Virée de Lesse dekken kolenbranders hun terpen af met dikke zoden en waken dag en nacht uit schrik dat de vlam in het hout zou schieten. En in juni zit het hele dorp van vier uur 's morgens in de bossen van de euvelles de jonge eiken te ontschorsen. De bussels worden gedroogd en ter plaatse verkocht aan de leerlooierijen in Givet, en zelfs in Holland. In het Bois Ie Taureau, waar nog eiken staan uit de tijd van Maria Theresia, klinken de bijlslagen en schuren eentonig de boomzagen. En in de zomer zit weer het hele dorp in het bos. Iedere familie kapt er haar twintig stères brandhout waar ze recht op heeft voor de winter.

En is het winter, en gaan de mensen niet meer naar het bos, dan komt het bos naar de mensen. Thuis maken de klompenmakers holleblokken uit berkenhout, met op de kleine voor de vrouwen een' bloem. En 's avonds, bij het vuur, worden bezems gebonden van berkentwijgen en grote wannen gevlochten van lange repen hazelaarschors. En in de schuren klinken de hele winter de doffe slagen van de dorsvlegels.




 


Meer dan een halfuur zitten we muisstil te luisteren, als in een middeleeuwse kathedraal. Dan verder, omhoog door het bos, naar het dorp. Hier is de plek waar in de tijd twee kleine clouterieën stonden, waar de spijkers gemaakt werden voor de leien daken. Le Goutteau, vlak over de grens met Frankrijk. Het was er even lamentabel werken als in de koperslagerij beneden. Maar voor de eigenaars uit Hargnies waren het gouden jaren, want overal werd het stro vervangen door leien omwille van het brandgevaar. In 1866 was in Felenne de hele rue de France afgebrand boven de kerk en tien jaar later gingen er nog vijfendertig huizen in de vlammen op. Met palmtakken sprenkelen bij onweer en vleermuizen aan de balken spijkeren hielp niet. Trouwens, na 1888 weigerden de verzekeringen nog huizen met strodaken.

 

In onze vakantiewoning “Auberge de Felenne” aangekomen zijn we maar al te blij van onze grote dorst te kunnen lessen... Een gedeelte van onze groep maakte een uitstap met de wagen. In de streek valt zowat vanalles te beleven. Alleen al de moeite waard zijn de enorm uitgestrekte bossen die men doorkruist en vooral de mooie ardense dorpjes. De bezienswaardigheden langs de rivieren de “Lesse” en de “ Semois “ zijn voor velen geen onbekenden. De steden Givet ( Frankrijk ) en Dinant, Rochefort en Bouillon lonen ook wel de moeite eens te bezichtigen. Tijd om ons op te frissen en te genieten van de voorbereiding van het avondmaal, zo met z’n allen lekker koken en zorgen voor spijzen en drank, maakt het pas echt gezellig. Na de kopieuze maaltijd duurt het niet lang of er komt een gesprek over de kleurige affiches aan de muren alsook de meer dan 100jarige vlag van de plaatselijke harmonie-vereniging.  En op cultuur. "Toch bizar "die jaren 1850 – 1900 “ .

Aan de ene kant zoog de burgerij de werkman uit, en aan de andere kant wilden ze hem ontvoogden en beschaven." Tot in de kleinste dorpen stampten ze muziek- en toneelverenigingen uit de grond. De liberalen uiteraard, want de bisschoppen vonden lezen 'goddeloos, en verderfelijk voor geloof en zeden', en theater 'duivelswerk'.

 

In Brussel moet het natuurlijk al stevig regenen voor het in Felenne begint te druppelen, wat in 1883 gebeurt. In volle schoolstrijd sticht Alfred Furnaux een blauwe fanfare tot grote ergernis van de roomsen: Les Bleus, later La Felennoise.


Voor de centen zorgt de toneelkring van dezelfde kleur, Le Progrès. Toneel en muziek spelen ze bij hem thuis, in zijn hotel. Maar de katholieke zuil countert. Uit de pastoor zijn zangkoor Sainte-Cécile wordt in 1908 de harmonie Les Vrais Amis geboren en zij krijgt de logistieke steun van de Cercle Dramatique Saint Joseph. En wie kan de stichter van die drie anders zijn dan ... Joseph Balleux, die in 1897 ook al de St.-Pietersmutualiteit boven de doopvont heeft gehouden.

Verder ontwaren we nog een kader met  twee sepiakleurige foto's. Links La Chorale des Vrais Amis, 1897: tweeënveertig man, plus pastoor. Rechts I'Harmonie Les Vrais Amis. 1908: vijfenveertig man, plus pastoor. Hiermee is ons fanfareverhaal niet gedaan. In de jaren '30 doen de socialisten er nog een paar noten bovenop met La Récréation Ouvrière, onder impuls van de rode schooljuf. Maar na de oorlog in '44, brengt de euforie van de bevrijding algehele verzoening en dorpsonderwijzer Perpète verenigt de vroegere vijanden in de maatschappij La Concorde. What's in a name? Maar na de tweede schoolstrijd in '55 valt alles definitief uit mekaar, en weer een stukje landelijke folklore is weg. "Ja. Felenne is dood nu "geen gemeentehuis geen toneel, geen harmonie, geen bank, geen slager of geen bakker, zelfs geen voetbalploeg in vierde provinciale. Ja, nog wel twee schooltjes en enkele kleinere vakantiewoningen. En natuurlijk onze woning voor het weekend : vakantiewoning” Auberge de Felenne".

 

 

Het liep wel wat uit vannacht, enkelen onder ons hebben nog tot in de late uurtjes zitten napraten, genietend een of meerdere glaasjes wijn of bier uit de streek. De Trapistenbieren van de Abdij van Rochefort, Chimay en Orval.

Alsook het bekende abdijbier Leffe uit de stad Dinant.

Na een verkwikkende nachtrust werden we weer verwent door het toedoen van enkele vroege vogels, zij hebben in het naburige Franse dorpje Fromelennes vers Frans stokbrood gaan halen, dat zo heerlijk smaakte met een kopje verse dampende koffie. En dat op een zondagmorgen. We  rekken het  lekker lang aan de tafel, enkelen van ons besluiten dan naar de hoogmis te gaan van elf uur. We lopen de rue de France af, voorbij het rode huis van de Cercle Saint-Joseph, met de arduinplaat nog in de voorgevel, en twee huizen verder het vroegere Hotel Gérard Chauvier. Sic transit gloria mundi.

Leopold III maakte een halte in Felenne toen hij in september 1939 de Frans-Belgische grens kwam inspecteren, hij heeft toen een middag-lunch genomen in het toenmalige Hotel Chauvier. Nu is het vroegere Hotel een vakantiewoning geworden. Hoog volk op bezoek in Felenne, toen. Maar het kleine Felenne heeft zelf ook groot volk voortgebracht. Monseigneur Pierard, hier geboren in 1893, bracht het tot bisschop in Congo en lid van de Raad van het Algemeen Bestuur van Congo, waarin hij op zijn eentje de katholieke missies vertegenwoordigde. En voor de Leuvenaars: hij stierf in 1975, in de H.-Hartkliniek in de Naamsestraat te Leuven, en de uitvaart had plaats in de St.-Geertruikerk.

Felenne-De Kerk Uitg.Alfred Furnaux

We staan voor de kerk. Eén blok grauwe natuursteen. '1840' staat er boven de poort. Kordaat blokt de toren het schip af. Het vierkante klokkenhuis zit er petieterig bovenop, als een duiventil. Vreemd, waarom hebben ze die kerk toen met het altaar naar het westen gedraaid? Hier is godsdienst nog gezellig ouderwets. Voor de mis begint, staan jong en oud buiten nog een poos te kletsen. Binnen, in het koor, wacht de suikerzoete moeder Gods tot ze er allemaal zijn. Ze is jong en mooi, zoals ze daar zit op haar- wolkenbed, in wit en blauw, met lang bruin haar, de handen gevouwen op het hart. Verliefde engeltjes gluren van tussen de wolkendotten.

 

En nu de mis. De abbé ziet wel dat we vast gasten zijn uit de “Auberge de Felenne” en groet ons hartelijk. Op het doksaal zingen de brave dorpsvrouwen wel wat vals, maar innig plechtig vol devotie, en in het koor zwaaien twee lieve meisjesmisdienaars slierten wierook. Een dertigtal mensen zit geknield op hun stoelen en een oud moedertje in het zwart krijgt de communie op haar tong. De jaren vijftig, denk ik, met een zweem melancholie. Maar zelfs hier heeft het Vaticaans Concilie toegeslagen. De preekstoel en de twee zijaltaren zijn weggebroken, en patroon St.-Pieter is met zijn banden verbannen naar een hoek achter in de kerk, onder het doksaal. En veel jeugd zie ik ook niet meer. Vanwaar zouden ze trouwens komen. Van de 932 inwoners in 1890 bleven er in 1954 nog 526 over, en in 1997 nog 471. Veel huizen staan leeg en het jonge volk trekt weg. In 1955 zet een of andere streekkrant de volgende 'CONSTATATION SURPRENANTE boven zijn rubriek Etat civil: A LA SUITE DES 21 MARRIAGES CONTRACTÉS, HUlT SEULEMENT DES FOYERS S' ÉTABLISSENT AU VILLAGE.

 

Terug bulten. We kijken de rue de France op en neer. Daar lag het derde abreuvoir van Felenne, en ginder op de hoek was tot 1940 het douanekantoor.

Met een fraaie bezetting van tien à twaalf douaniers met brigadier. Het is 23 augustus 1914. De vespers zijn voorbij, het volk stroomt de kerk uit. Franse Dragonders op verkenning komen plots de hoek om en botsen op een patrouille Duitse Ulanen die de rue de France afgezakt komen. Die maken rechtsomkeer en galopperen het dorp uit richting Winenne, achternagezeten door de Fransen. Deus ex machina: de velden krioelen van de Duitsers. Een compagnie Huzaren komt de Ulanen ter hulp en nu galoppeert het hele gezelschap de rue de France af in omgekeerde richting. Bij de kerk vallen een paar schoten. Een Duitse combinatie gaat over de kop. Het paard is morsdood, zijn berijder ongedeerd. Intussen zijn de Fransen ervandoor, richting Givet. Terwijl het dorp omsingeld wordt, vluchten de inwoners naar de bossen. Dertig gijzelaars worden tegen de muur gezet. Burgemeester Furnaux geeft de Duitser een van zijn paarden en houdt vol dat het schot uit een Frans geweer kwam. Dan laten de Duitse soldaten de gijzelaars gaan, maar steken als vergelding twintig huizen in brand. Daaronder Hotel Furnaux.

De bevolking brengt drie dagen en vier nachten door in de bossen, terwijl de Duitsers hun huizen plunderen. Op donderdag lijkt alles voorbij en ze keren naar het dorp terug. In een stal in de huidige rue Fernand Wolf ligt een dode, het enige slachtoffer van de rel. En wie is die Fernand Wolf? Hij is het tweede slachtoffer van de oorlog'40 ' 45. Hij viel elf dagen na Gilbert Godefroid op het champ d'honneur in St.-Martin-Boulogne, in Frankrijk.

 

De Duitsers zijn weg, de bittere oorlogsjaren kunnen beginnen. Vanuit de Kommandantur in Winenne worden de opeisingen georganiseerd, en in alle huizen worden cachettes gebouwd. Veel mannen van Felenne, die de bossen kennen als hun broekzak, werken voor de Franse inlichtingendienst. En iedereen heeft honger. Maar dan sturen de Amerikanen voedselpakketten. Eén keer in de maand worden ze uitgedeeld in een huis bij de St.-Jozefskapel. En van de meester moeten de kinderen van de jongensschool een bedankingsbrief sturen naar Uncle Sam. Later worden zestig man opgeëist om te gaan werken in Duitsland. En aan de trein in Gedinne spelen zich hartverscheurende taferelen af.

 

Maar nog Is de beker niet leeg. De winter van '16 - '17 is de ergste van de eeuw. Sneeuw van november tot maart. En bij min twintig graden al de pompen bevroren. Van pure kou hokken de mensen samen in hun keukens en van honger komen de everzwijnen uit de bossen tot aan de rand van het dorp. Later, in de zomer van 1918, raast de Spaanse griep door het dorp. Maar er is hoop. Meer en meer Duitse soldaten komen terug uit Frankrijk en eisen kamers op in Felenne, en als ze weg zijn, krioelt het stro van de luizen. Op 11 november eindelijk de bevrijding. Onbeschrijfelijke vreugdetaferelen op de bati. De rest van de winter wordt een compagnie Italiaanse bersaglieri ingekwartierd in de jongensschool. En het wordt een vrolijke tijd. Iedereen eet spaghetti, in de straten weerklinkt het 0 sole mio en in de bossen zijn de meisjes 'graag' niet meer veilig.

 

Bij het oude douanehuis loop ik de rue Joseph Sauvage in. In juli '44 namen de Duitsers de arme man mee als gijzelaar en hij kwam om in het kamp Neuengamme, VICTIME DE LA BARBARIE ALLEMANDE. Het gehucht hier heet Mélédru, het is het laagste en oudste deel van het dorp. Felenne duikt al op in een oorkonde van 1090 als Felenias.

Het moet eerst een pottenbakkersdorp geweest zijn verderop in de Minières. Na de pestepidemie van 1621 steken de pottenbakkers hun huizen in brand en beginnen opnieuw hier in de Mélédru, bij de bron. Bij die bron liggen nog de overwoekerde resten van het lavoir, de publieke wasplaats van het dorp.

In kruiwagens en in draagmanden op hun rug brachten de vrouwen hun was aan en zaten dan met hun knieën in een houten bakje uren te schrobben en te kletsen. Hun moeders waren slechter af, die moesten met hun was nog naar de beken in het bos.

 

Verderop staat een droom van een huis, recht uit De woeste hoogten van Brontë. In de jaren 1600, tijdens de pestepidemieën, lag op die plek een leprozerie. Maladerie in het Frans, Mélédru in het dialect. Op het einde van de straat  staat ook het kleine douanechalet, dat nog dienst heeft gedaan tot in 1974.

Ginder, in een wei achter de verste huizen van het dorp, werd op de maandag van Felenne-kermis het jeu de la poule gespeeld. Een paar kippen werden tot aan hun nek in de grond gestoken en geblinddoekte spelers moesten hun kop er in drie pogingen afslaan. Achteraf pronkten ze met hun overwinning.

Toen waren kermissen nog kermissen. Ze duurden drie volle dagen van vreten, zuipen en lol maken. Op zaterdagavond is er de openingsstoet, met het kermislief aan de arm dat je de week voordien geloot hebt. De dolle stoet van vijftig jonge koppels hotst op holleblokken door de straten. In het schijnsel van lampions en achter de klarinet en de piston, de trom en de grosse caisse.

Alle cafés van Felenne passeren de revue, en dat zijn er veel. Buiten wordt de polka gesprongen en binnen loopt de jenever uit de stopen. 's Zondags, de laatste van september, eerst de hoogmis en dan de kermisattracties. Daarna waggelend naar huis voor de rôti in de beste kamer, die maar één keer per jaar opengaat, want vlees komt ook maar één keer per jaar op tafel. 's Namiddags opnieuw kroegentocht en 's avonds bal en vuurwerk op de bâti. En na de eerste dans mag je eindelijk je kermislief wisselen voor je echt lief. Op maandag is er dan het jeu de la poule. En op dinsdag zijn de kermislieven eraan voor hun moeite. Ze moeten een nachtpot vol drollen leegdrinken. Eén troost: de nachtpot is nieuw en de drollen zijn brokken peperkoek in bruin bier. Woensdagavond worden de lampions weer bovengehaald en trekt de beschonken meute voor de laatste keer door de straten van Felenne.

 

Langs de rue de France komen we terug bij de kerk, in de rue Henri Lambert. Na de bevrijding trekt de tweeëntwintigjarige Henri mee met de Amerikanen tot aan de Rijn. Tijdens de gevechten om de brug van Remagen, steekt hij met een handvol vrijwilligers in een rubberbootje de Rijn over en ze vestigen een bruggenhoofd in Honeff. De nacht daarop trekt hij daar de wacht op en een welgemikte Duitse mortiergranaat maakt van hem een held. Het is maart '45. En ook hij heeft zijn straat gekregen in Felenne.

 

We lopen het kerkhof op, recht naar de overkant naar het graf van de familie Furnaux. Het is in een lamentabele staat. Op een sobere zerk lees ik met veel moeite: ALFRED FURNAUX, BOURGMESTRE DE FELENNE. DECEDE 11 Mai 1892 À L'AGE DE 55 ANS. Hier ligt hij, een van de hoofdpersonen uit dit verhaal. De stichter van La Felennoise en Le Progrès. Werd het politieke gekrakeel hem misschien teveel. Want hij stierf al na een dik jaar burgemeesterschap.

Bovenaan op het kerkhof, vlak voor het dodenhuisje, vind ik ze broederlijk verenigd, de vier oorlogshelden met de eigen straat: links Wolf en Sauvage rechts Godefroid en Lambert. En zie, vijftig jaar na de dood van hun makker Henri hebben de overlevenden van het 16me Bataljon Fuseliers een steen van de brug van Remagen op zijn graf gedeponeerd. Als ik de kerk weer passeer op weg naar onze vakantiewoning “Auberge de Felenne, zie ik plots iets wat mij altijd ontgaan is: een grafzerk. Ik wip over de haag en ontcijfer: ICI REPOSE LE CORPS DE MONSIEUR HENRI JOSEPH FURNAUX, B0URGMESTRE À FELENNE, NE LE 28 JUIN 1800 ET DECEDE LE 1ER DECEMBRE 1850. Je komt ze toch overal tegen!

 

Maar luister vast naar het einde van de successtory Furnaux. In 1921, zeven jaar nadat Alfred junior zijn Hotel door de Duitsers heeft zien afbranden. Geeft hij de geest. Zoon Henri, ex-krijgsgevangene staat voor de zware taak van de heropbouw.




Heropbouw Hotel Furnaux in het jaar 1921.


Hij laat steenbakkers overkomen, die ter plaatse de bakstenen bakken. Maar hel geld raakt op en de werken vallen stil. De halfafgewerkte muren staan lange tijd afgedekt met graszoden. Dan valt Henri op een rijke heritière uit Winenne en komt zo aan de nodige fondsen. Hotel Furnaux herrijst uit zijn as, in de huidige staat. Henri Furnaux gaat in Winenne wonen, maar wordt burgemeester van Felenne. In zijn vrije tijd bekommert hij zich om de muziekvereniging en de Cercle Dramatique. Maar in 1932 verliest hij de verkiezingen aan - wie dacht je - Joseph Balleux en trekt zich terug in Winenne, waar hij na verloop van tijd burgemeester wordt Erfvijand Balleux wordt intussen supergeliefd in Felenne. En niet alleen om zijn waterleiding. Hij weet ook de bodem weer in de lege gemeentekas te krijgen. Maar dan staan de sales boches voor de tweede keer in Felenne. En het botert niet tussen Balleux en les boches. Hij geeft geen inlichtingen door en levert geen voorraden, en nog minder werkwilligen voor Duitsland. In 1943 zijn de Duitsers het moe en zetten hem af. Als hij in 1947, op zijn vijfenzeventigste, met pensioen gaat, is hij de populairste figuur in Felenne.

 

We kwamen nog te weten van de eigenaar dat In 1955  Henri Furnaux sterft. En weer is het oorlog. Maar nu tussen de erfgenamen. Na een lange calvarie rechtszaken geraakt de erfenis verdeeld. Zijn huizen in Felenne komen onder de hamer. Het vroegere Hotel wordt op de hoek café en de rest verkommerd tot ik het opkoop in 1974 en er een bloeiend pension van maakte. En dan, in 1987, sterft in Winenne, onder de kerktoren, Emilie Giot, de rijke weduwe van Henri Furnaux. Van de eigenaar weten we dat hij de hand kan leggen op de sjieke woning, met schuur, stallen en grote tuin.




Huis links achteraan, voor de Kerktoren.Was tijdens WO II ook de Komandatuur in Winenne.

Een van de mooiste doeningen in Winenne. Hij knapte ze volledig op en richtte er negen kamers in voor ongeveer een twintigtal gasten. De prachtige dorpswoning ontvangt nog steeds vakantiegangers en is nog steeds een vakantiewoning.  En in 1990 geeft Café Le Sanglier ( het hoekhuis van de “Auberge de Felenne” )  er de brui aan en wordt de zaak ook door onze eigenaar overgenomen, en van dan af is het historische Hótel Furnaux weer volledig, na vijfendertig jaar. De huitbating als CAFE-RESTAURANT-HOTEL van de toenmalige Horeca-zaak “AUBERGE DE FELENNE” werd gestopt  op 1 januari 2007.  Zo werd de mogelijkheid geschapen om van deze prachtige, oerechte Ardense  Auberge een grote vakantiewoning te maken.

 

 

 

Zo zie je maar, beste lezer, dat Vlamingen en Nederlanders in Felenne, een apart en boeiend verhaal zijn. Een verhaal om samen gemoedelijkheid,  vriendelijkheid,  rust en stilte te ervaren. Een verhaal dat altijd eindigt in een blijvende herinnering. Eertijds was Felenne “Furnaux” , vervolgens voor de ontelbare gasten gedurende meer dan dertig jaar, werd deze taak door Marc Sterckx overgenomen. En Felenne zelf, daar wordt telkenmale de band tussen mens en natuur wekelijks hersteld.

 

Het weekend loopt voor sommigen op z’n einde , enkelen van onze groep moeten de zondagavond thuis zijn, spijtig want meestal verlaat men dat “ardense nest” niet zo graag. De blijvers kunnen nog volop genieten tot morgen, maandag, in de late namiddag voor ze weer huiswaarts keren.Bij het naar huis rijden zien we op het einde van het dorp:  Beauraing 13 kilometer staat er op een richtingaanwijzer bij de St.-Jozefskapel. Geen levende ziel op straat. We zeggen  geen woord in de wagen.. Daar is ze al, de melancholie. Voor ons liggen roerloos de bossen in de zon. En op mijn netvlies, als een dia, verschijnt het beeld van gisterenavond. De maan hangt boven de Rabaumont. Het is onwezenlijk stil. Blauwgroen zijn de bossen, en ginder aan de einder lossen ze op in grijs. Er hangt een geur van verbrand loof, zoals vroeger na de aardappeloogst. Scherp krijst een uil.

De koeien staan roerloos, tot hun buik in slierten nevel. En als we omzichtig verder gaan, draaien ze hun koppen, allemaal tegelijk, en kijken. Het beeld blijft lang op ons netvlies zitten, tot een eind op de E411-snelweg. Dan slaat een brutaal manoeuver van een truck het aan diggelen. En thuis is het eerste wat we doen, zoeken naar een kalender om met familie of een groepje vrienden weer eens naar die prachtige rustgevende streek te trekken, en te verblijven in die vakantiewoning met een meer dan 200jarige geschiedenis.

 

Nawoord van de eigenaar: Dit verhaal komt je, beste lezer, misschien op sommige momenten wat chaotisch over. Het is slechts echt voelbaar indien men de verhalen over het verleden en die van het heden plaatselijk kunt aanvoelen. Dit verhaal heeft als doel ,een leidraad te zijn om te helpen dat ieder van u zich zo optimaal mogelijk kan ontspannen en vooral kan genieten van de natuur en van de plaats die tijdens uw verblijf “ de uwe” is. Dit door een ander decor op te roepen dan hetgeen we dagelijks beleven. Daarom wil ik men passie, die ik vanin men prille jeugd al had, te leven in zo’n ardens dorpje als Felenne, doorheen men verhalen en de ganse website www.aubergedefelenne.be  met u allen delen.


 

Marc sterckx

Auberge de Felenne

Rue de France, 53-55

B-5570 Felenne

 

 

 

 

 

Met oprechte dank aan de Heren, Hugo Dupont, Werner Van den Wijngaerd, Jacquy Pley,Roger Depreeuw en Dirk Stessel voor de logistieke steun.